Vrijheidsbeperking komt vaak voor bij thuiswonende mensen met dementie

30 October 2014

Persbericht 30 oktober 2014

Vier op de tien mensen met dementie die thuis verzorgd worden, hebben te maken met vrijheidsbeperkende maatregelen. Het gaat dan om fysieke beperkingen, maar ook kalmerende medicijnen en onvrijwillige behandeling komen op grote schaal voor. Vaak gebeurt dat op verzoek van de verzorgende familieleden. Het is de eerste keer dat dit verschijnsel in Nederland wetenschappelijk is onderzocht. De resultaten van de studie, uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit Maastricht, op initiatief van de Academische Werkplaats Ouderenzorg Zuid-Limburg, worden volgende week gepresenteerd op een conferentie in Washington DC.

De afgelopen jaren was er veel aandacht voor vrijheidsbeperking in verpleeghuizen. Preventieve maatregelen hebben ervoor gezorgd dat dwangverpleging enorm is teruggedrongen. In de thuiszorgsituatie is de situatie echter zorgwekkend, zo blijkt uit de studie.

De onderzoeksgegevens zijn verzameld onder 837 mensen met dementie, in de zomer van 2014. Hun case managers vulden een vragenlijst in, waarin zij per cliënt konden aangeven welke beperkende maatregelen werden toegepast, door wie ze werden aangevraagd en wie ze uitvoerde. Daarnaast werd onder andere het cognitief functioneren en het algemeen dagelijks functioneren van de dementiepatiënten gemeten, en de belasting die de informele zorgverlener ervaart.

Uit de metingen bleek dat in 39% van de gevallen vrijheidsbeperking werd toegepast. Binnen deze groep wordt bij 7% fysieke vrijheidsbeperkende maatregelen toegepast. Dat varieerde van bedhekken en fixatiebanden in bed of vastzetten in een (rol)stoel tot het gebruik van speciale lakens of diepe/gekantelde stoelen. 79% van de patiënten werd onvrijwillig behandeld (gedwongen douchen, eten en drinken, verstoppen medicatie, wegnemen telefoon, afsluiten internet etc) en 41% ontving kalmerende medicatie (antipsychotica, angstremmers, antidepressiva en kalmeringstabletten). Deze percentages waren hoger naarmate de cognitieve functies en het dagelijks (ADL) functioneren lager waren.

Meestal (in 74% van de gevallen) was het de familie die de beperkende maatregelen aanvroeg. In 33% van de gevallen ging het om de thuiszorgmedewerker en in 21% van de gevallen werden de maatregelen aangevraagd door de huisarts. “Familieleden en professionele verzorgers zien deze maatregelen als de enige mogelijkheid om vallen, verwondingen of ongewenst gedrag te voorkomen. Zij realiseren zich echter niet dat beperkingen vaak negatieve effecten hebben op mensen die aan dementie lijden”, aldus Hamers. Om onnodige vrijheidsbeperking te voorkomen zijn volgens de onderzoekers investeringen nodig in de ondersteuning van informele en professionele zorgverleners, om zo hun houding te veranderen en hun kennis over de negatieve consequenties van beperkende maatregelen te verbeteren. Mogelijke alternatieven voor de beprekende maatregelen verschillen per situatie. Sommige patiënten kunnen ter verhoging van hun veiligheid baat hebben bij de inzet van technologieën zoals GPS zenders.

Deze studie brengt voor de eerste keer de situatie bij thuiswonende ouderen met dementie in kaart en kan dus volgens prof. Jan Hamers als nulmeting worden beschouwd. “Gezien de ontwikkelingen in de zorg zullen mensen met dementie in de toekomst langer thuis blijven wonen. De zorg thuis voor deze groep wordt dus steeds complexer, waardoor de problematiek waarschijnlijk zal toenemen. Dat vind ik zorgwekkend.”