Van wijkverpleegkundige in de jaren 80 naar onderzoeker in 2021

28 February 2021

José is sinds december 2020 begonnen als onderzoeker op het project Praktijkvariatie indicatiestelling wijkverpleging voor drie dagen in de week. De andere twee dagen is ze werkzaam voor haar eigen scholingsbedrijf Stichting Bevordering Wijkverpleegkunde (SBW) dat ze in 2014 opstartte met Henk Rosendal (toen nog lector Wijkzorg en nu lector de Gezonde Wijk aan de Kenniscentrum Zorginnovatie van Hogeschool Rotterdam). Om voeling te houden met het werkveld is ze ook nog steeds BIG geregistreerd en af en toe werkzaam als wijkverpleegkundige. 

In de aanloop naar de stelselwijziging in 2015 voorzag José dat wijkverpleegkundigen niet genoeg toegerust zouden zijn voor de rol die ze nu moeten vervullen. Daar hoopte ze met SBW in 2014 een verandering in te brengen en hen scholing te geven om de juiste competenties (verder) te ontwikkelen. De belangstelling was nog niet al te groot tot in 2015 de wijkverpleging daadwerkelijk werd ondergebracht bij de zorgverzekeraar en zij verantwoordelijk werden voor het indiceren van de zorg binnen de aanspraak wijkverpleging. Toen werd de vraag naar wijkverpleegkundigen die goed kunnen indiceren ineens een stuk groter en hebben ze ondertussen in de 1e jaren vanaf 2015 een kleine 3000 verpleegkundigen geschoold. En tot op de dag van vandaag wordt er nog steeds scholing op Vakbekwaam Indiceren aangevraagd. 

De overheveling naar de Zorgverzekeringswet heeft namelijk grote impact gehad op de positionering van de wijkverpleegkundige en heeft van indicatiestelling weer een kerntaak gemaakt. Zij hebben daarmee meer autonomie gekregen en bepalen welke zorg noodzakelijk is op basis van de zorgvraag en –behoefte van de cliënt. Een grote verantwoordelijkheid dus. 

Wijkverpleegkundigen indiceren op basis van de zorgbehoefte van de cliënt de aard, omvang, en duur van de zorg. Er zijn echter veel signalen over variatie in geïndiceerde zorg bij vergelijkbare zorgvragen. En dat is waar het project Praktijkvariatie indicatiestelling wijkverpleging over gaat. Praktijkvariatie gaat over die verschillen, zijn die wel of niet terecht en verklaarbaar. Het onderzoek omvat 3 delen:

  • Antwoord geven op de vraag Wat is praktijkvariatie? Dat doen we met literatuur, een expertmeeting en een Delphistudie (een onderzoeksmethode waarbij je de mening van experts over een onderwerp vraagt, en met hen probeer je consensus te bereiken). Na de Delphistudie worden er drie definities geformuleerd en bepaald welke factoren van invloed zijn op de indicatiestelling. 
  • Deel twee gaat over de aard en de omvang van de variatie. Daarin wordt o.a. dossieronderzoek gedaan, worden interviews met wijkverpleegkundigen gehouden en het normenkader van V&VN tegen dossiers aangelegd.
  • Deel drie gaat over wat we kunnen doen om de ongewenste variatie te reduceren en is vooral gericht op interventies om de beroepsgroep verder te helpen.

Het project wordt naast de UM samen met Nivel en Hogeschool Utrecht uitgevoerd met V&VN en VWS als opdrachtgevers. Omdat het projectteam bestaat uit mensen met diverse achtergronden, krijg je verschillende perspectieven op het onderwerp van onderzoek.

José zelf heeft als wijkverpleegkundige door de jaren heen uit het veld natuurlijk ook genoeg ervaring opgedaan en is daarmee een goede toevoeging aan het onderzoeksteam. “Eind jaren 80 kwam ik in de wijk terecht en ik wist al snel dat dit mijn veld is. Ik heb de behoefte om mensen verder te helpen. De cliënt bepaalt zelf was mijn insteek, het is zijn of haar leven en ik kan alleen maar vanuit mijn professie adviseren, ondersteunen en bijstaan daar waar nodig. Dat uitgangspunt was best bijzonder omdat er toen destijds toch best veel professionals vonden dat ze, omdat iemand ziek en zorgafhankelijk was zij (deels) mochten bepalen of en hoe iemand thuis kon blijven.  Nadat ik 11 jaar in mijn eigen thuiszorgbedrijf had gewerkt en uit mijn ‘cocon’ stapte schrok ik van de situatie. De meeste organisaties werden vooral financieel gedreven. Als een cliënt een indicatie had kon er zorg verleend worden anders niet. Er werd vaak niet gekeken of iemand wel zorg nodig had, of het niet anders kon en of daarmee ook grotere problemen voorkomen werden. Er werd minder goed nagedacht vanuit het professionele perspectief. We zijn in 2014 SBW gestart om het vak terug te helpen brengen en vanuit de cliënt te kijken. Niet vanuit financieel gedreven modus, maar professionele drive. Op basis van verpleegkundige diagnostiek een indicatie stellen en de rechtmatigheid in de Zorgverzekeringswet legitimeren. Onderbouwd dus. Toentertijd wilde ik eigenlijk al graag onderzoek doen, op dit onderdeel, maar daar was (nog) geen vraag naar en later ook weer geen ruimte privé. 

Het gebrek aan wetenschappelijk fundament voor de wijkverpleging vormt een groot probleem voor de praktijk van de beroepsgroep. Ik ben dan ook erg blij dat ik door dit traject een bijdrage kan gaan leveren. We willen ook dat jong afgestudeerde wijkverpleegkundigen kunnen groeien en ontwikkelen in dit prachtige vak, ze zijn nu soms onzeker en verlaten vaak ook weer net zo snel het vak. Ze hebben houvast nodig, evidence based kunnen werken, meer richtlijnen en kaders. Er zit veel uitdaging in het onderwerp. Het onderwijs behandelt indicering, maar in de praktijk blijkt dit niet voldoende te zijn. Ook managers en bestuurders oefenen invloed uit op indicaties en daarnaast schuurt het soms tussen wat de wijkverpleegkundige vindt dat nodig is met wat de cliënt denkt. Veel belangen om te behartigen dus voor deze wijkverpleegkundige. Met mijn werk en met dit onderzoeksproject hoop ik een waardevolle bijdrage te leveren een de groei van dit prachtige beroep. Dat mag best een tijdje duren, de huisartsen hebben er ook 30 jaar over mogen doen om te komen waar ze nu zijn.”