Van ‘uurtje-factuurtje’ naar voorspellen zorgbehoefte

4 March 2020

Anne van den Bulck en collega’s publiceerden onlangs resultaten van hun onderzoek naar de bekostiging van de wijkverpleging in van den Bulck, A. O., Metzelthin, S. F., Elissen, A. M., Stadlander, M. C., Stam, J. E., Wallinga, G., & Ruwaard, D. (2019). Which client characteristics predict home‐care needs? Results of a survey study among Dutch home‐care nurses. Health & Social Care in the Community, 27(1), 93-104.. Wat stond daarin?

Het financieren van wijkverpleging op basis van de rechtstreeks geleverde diensten – het zogenaamde ‘uurtje-factuurtje’ model -  stimuleert zorgverleners om veel zorg te leveren. Een mogelijke alternatieve manier van financiering van zorg is via een ‘case-mix’ model. In dat model worden cliënten op basis van persoonlijke kenmerken ingedeeld in hiërarchische groepen met een relatief homogeen zorggebruik. De kosten, en daarmee het vergoede bedrag aan zorg, is voor alle cliënten in eenzelfde groep gelijk. Maar… op basis van welke kenmerken deel je cliënten in groepen in, zodat de hoeveelheid benodigde zorg binnen de groep ongeveer gelijk is? Anne van den Bulck en collega´s bevroegen hierover ruim duizend wijkverpleegkundigen en verpleegkundigen in de wijk.

Méér zorg betekent niet altijd zeggen betere zorg. Een case-mix aanpak heeft verschillende voordelen: wijkverpleegkundigen en verzorgenden zijn minder tijd kwijt aan het gedetailleerd bijhouden van de zorghandelingen die ze leveren, omdat ze niet langer op basis van al die losse handelingen gefinancierd worden. Door financiering los te koppelen van de rechtstreekse geleverde diensten, komt er ook ruimte om bijvoorbeeld zelfredzaamheid bij oudere cliënten te stimuleren, zonder dat de financiering direct in het gedrang komt. Dat draagt bij aan betere kwaliteit van zorg die aansluit bij de behoefte van de cliënt.

In het buitenland wordt deze manier van financieren al toegepast en er zijn verschillende voorbeelden te vinden van case-mix modellen. Deze zijn echter niet zomaar te vertalen naar de Nederlandse situatie. De Nederlandse Zorgautoriteit ontwikkelt daarom samen met verschillende wetenschappelijke partners meer kennis over hoe een Nederlands case-mix model eruit zou kunnen zien.  

In bestaande buitenlandse modellen worden in totaal 118 verschillende cliëntkenmerken gebruikt, die mogelijk de zorgbehoefte (mee) voorspellen. Anne van den Bulck vroeg aan ruim 1000 Nederlandse wijkverpleegkundigen en verpleegkundigen in de wijk welke van deze cliëntkenmerken volgens hen het best voorspellen welke zorg iemand nodig heeft. Om deze enorme groep verpleegkundigen gemakkelijk te bereiken, werd het netwerk van de beroepsvereniging V&VN ingezet. Zo werd ruim 5% van alle Nederlandse wijkverpleegkundigen en verpleegkundigen in de wijk bereikt.

De verpleegkundigen benoemen het vaakst de volgende voorspellende cliëntkenmerken: het functioneren in ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen: wassen, aankleden, voeden, etc.), de nood aan palliatieve zorg en het cognitief functioneren. Er zit echter wel variatie in de kenmerken die verpleegkundigen noemen. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat sommige kenmerken ook gecombineerd voorkomen. Bijvoorbeeld: door cognitieve problemen zoals dementie heeft iemand hulp bij de ADL nodig. Is bij deze persoon het cognitief functioneren of het functioneren in ADL bepalend? Daar kunnen de meningen van verpleegkundigen over verschillen. Met andere onderzoekstechnieken, zoals het afnemen van interviews of het voeren van focusgroep gesprekken, kunnen we hier meer inzicht in krijgen.

De cliëntkenmerken die door (bijna) alle verpleegkundigen genoemd worden als belangrijk zijn niet alleen medische en biologische kenmerken, maar ook psychologische en sociale kenmerken van de cliënt en zijn omgeving. Denk daarbij aan de samenstelling van het huishouden of de mate waarin een cliënt zelf inzicht heeft in zijn eigen gezondheid en functioneren. De bevinding is opvallend, omdat case-mix modellen die in het buitenland gebruikt worden meer de nadruk leggen op het medisch en biologisch functioneren van de cliënt. Case-mix modellen voor de wijkverpleging zouden daarom mogelijk verbeterd kunnen worden door meer psychologische en sociale kenmerken van de cliënt mee te nemen als voorspellers.