Opinie: relatiegerichte zorg onder druk door crisismanagement

28 April 2021

Als leden van de ouderenadviesraad van de AWO Limburg sluiten we regelmatig aan bij (online) bijeenkomsten. Die geven soms aanleiding tot reflectie. Deze reflectie kwam tot stand naar aanleiding van twee recente bijeenkomsten. We nemen u graag mee in onze overwegingen.

Op 17 maart verdedigde dr. Katya Sion haar proefschrift over ervaren kwaliteit van verpleeghuiszorg en de Ruimte voor Zorg methode. Daarmee kan een organisatie in kaart brengen hoe zorg wordt ervaren vanuit bewonersperspectief en haar zorgverlening vervolgens op een meer persoons- en relatiegerichte manier vormgeven. Volgens de visie achter Ruimte voor Zorg speelt de driehoeksrelatie tussen bewoner, naaste en zorgverlener een sleutelrol in de ervaren kwaliteit van zorg. Het gesprek en open communicatie binnen die driehoek zijn cruciaal.

Op 18 maart organiseerde de AWO Limburg samen met o.a. Vilans het congres ‘Coronatijd, wat leert het ons?’. Ervaringsdeskundigen vanuit zorg en wetenschap wisselden ervaringen en bevindingen uit. Ook een mantelzorger nam deel aan deze uitwisseling. Voor zorgverleners leek het nog niet goed mogelijk om te reflecteren op wat er allemaal gebeurd was. “We zitten er nog middenin”, was de teneur. Waar de reflectie wel plaatsvond, gebeurde dat in alle zorgvuldigheid vanuit een professioneel zorgperspectief. “Hebben we voldoende maatregelen genomen? Hebben we onze bewoners voldoende beschermd?”. Vanuit het zorgverlenersperspectief kwam aan bod, dat psychosociale ondersteuning voor het zorgteam als zeer waardevol werd ervaren. “Met de kennis van nu, zouden we die ondersteuning eerder ingezet hebben.”

Wanneer wij deze twee momenten naast elkaar zetten, vallen een aantal zaken op.

Waar de Ruimte voor Zorg visie de communicatie en relatie met de bewoner en naaste opzoekt, lijkt de COVID-19 periode die beweging te hebben omgekeerd. De zorg focust in crisis – noodgedwongen - op essentiële zorgtaken. De dienstverlening condenseert tot ‘dat wat moet’. Op die manier wordt ook het broodnodige contact met de buitenwereld – de partner, de familie – vormgegeven; vanuit de mogelijkheden en ruimte die er is binnen de maatregelen, en gekleurd door praktische mogelijkheden van de organisatie. Daarbij willen we benadrukken dat dat werd en wordt gedaan met alle mogelijke inzet en creativiteit en dat verdient alle respect.

Toch blijft de relatie binnen de driehoek bewoner-naaste-zorgverlener naar onze mening onderbelicht. De communicatie en de dialoog zien we vernauwen tot informatie verstrekken. De mogelijkheid om samen tot afspraken te komen, wordt beperkt door de maatregelen die van overheidswege zijn afgekondigd. Er is een spanningsveld tussen het individuele belang en de verantwoordelijkheid voor alle bewoners en medewerkers. De dialoog wordt verder bemoeilijkt door het gebrek aan tijd, ‘onderhandelingsruimte’ en fysieke ontmoetingsmogelijkheden. 

In de afgelopen jaren heeft de ouderenzorg een ander focus gekregen: wanneer we spreken over kwaliteit van zorg, dan is goede zorg onderdeel van kwaliteit van leven. Uiteraard is het niet altijd (meer) mogelijk om met ouderen die aangewezen zijn op intramurale zorg te praten over wat voor hén kwaliteit van leven is, welke zorg daaraan kan bijdragen en dat individueel tot 6 cijfers achter de komma in te vullen. Maar net de dialoog – ook met de partner of naaste - is zo essentieel. En wel als een continu proces, als attitude. 

Als iets in het afgelopen jaar voor ons allen duidelijk is geworden, dan is het de grote impact die een verstoring in onze relaties op onze kwaliteit van leven heeft. Mensen die aangewezen zijn op intramurale zorg, zijn vaak zelf niet meer (voldoende) in staat om vorm en inhoud te geven aan die relaties. Relaties veranderen door de opname; naasten ervaren een drempel door de aandoening van de bewoner, maar ook door de verpleeghuisomgeving. Anderen zullen de verantwoordelijkheid voor die relatie over nemen. In eerste instantie naasten zelf, maar misschien hebben ze daar hulp bij nodig. De zorg heeft hierin een grote, faciliterende rol door te blijven reflecteren over drempels en mogelijkheden, in een continue dialoog met bewoners en hun netwerken.

Terugkijkend naar het congres ‘Coronatijd, wat leert het ons?’, en in het bijzonder naar de suggestie om psychosociale ondersteuning voor zorgteams in crisissituaties vroegtijdiger in te zetten, pleiten wij ook voor vroegtijdige ondersteuning gericht op de driehoek bewoner, naaste en zorgverlener. Deze ondersteuning is broodnodig voor het welbevinden van bewoners én hun relaties met naasten.

Wij zijn heel benieuwd hoe de visie van zorgorganisaties zich in de toekomst ontwikkelt, als het gaat om het inrichten van de dagdagelijkse gang van zaken. We denken dan bijvoorbeeld aan bezoektijden of het al dan niet toelaten van bezoekers in gezamenlijke huiskamers. Daarin kijken we met bezorgdheid naar de resultaten van de monitorstudie van de AWO Limburg, waaruit blijkt dat – ook na vaccinatie van een groot deel van de verpleeghuisbewoners - beperkende maatregelen nog altijd een negatieve impact hebben op het welbevinden van bewoners.

Wij zijn bezorgd dat de jarenlang zorgvuldig ingezette ontwikkeling naar relatiegerichte zorg stagneert in het crisismanagement dat COVID-19 noodzakelijk heeft gemaakt. “We zitten er nog middenin” zou weleens een vaststelling kunnen zijn die we de komende jaren vaak zullen horen, met als gevolg de onmogelijkheid om de beweging naar meer relatiegerichte zorg verder voort te zetten. Het gaat ons aan het hart te moeten denken, dat crisismanagement, hoe noodzakelijk met momenten ook, het beeld in de zorg gaat bepalen.

Karla Kuijt & Daan Schatteman